Inner Child Therapie

 
“Je hoeft niet iets bijzonders te zeggen of te doen om bijzonder te zijn.  Dat ben je!”
Inner Child Therapie
Werken aan je ”innerlijke kind(eren)” is je “oorspronkelijke wijze zelf” terugvinden, je volle rugzakje opentrekken en de inhoud dumpen. 
Ieder mens wordt gevormd door zijn genen, opvoeding en allerlei andere factoren. Soms kijken we terug en oordelen we dat we veel van het beste hebben meegekregen. Maar lang niet altijd is dat zo. Dan voelt iemand zich verre van compleet, terwijl hij/zij maar niet in staat is de vinger erop te leggen.
Als jij je niet gelukkig voelt, en je vermoedt dat de oorzaak in de jeugd ligt, dan heb je waarschijnlijk een bepaald reactiepatroon ontwikkeld. Je hebt bijvoorbeeld de neiging om dicht te klappen, te hakkelen/stotteren, ontwijkend gedrag te tonen, weg te lopen als het te heet onder je voeten wordt, ineens heel onhandig te worden, of je bent snel prikkelbaar.
Regressietherapie helpt woede, verdriet, pijn en angst los te laten, zodat je ontspannen en vol zelfvertrouwen alle situaties het hoofd kunt bieden. 
Bevroren stukjes kind in ons 
In de kern van ieder mens zit nog altijd dat prachtige, oorspronkelijke, pure kindje dat precies weet wat goed voor hem is. Zo’n innerlijk kind heeft wijsheid, liefde en zelfrespect. Die mooie eigenschappen kunnen ondergesneeuwd zijn geraakt onder een laag pijnlijke emoties. 
Een negatieve ervaring kan te sterk zijn geweest om toen geheel te kunnen verwerken. 
Het kind zet op zo’n moment een overlevingsmechanisme in. Een stukje van de persoonlijkheid blijft echter in die ervaring steken. Dat stukje persoonlijkheid (kind) bevriest dan als het ware om geen pijn te voelen. 
Met deze therapie werken we de situatie door en integreren we het “ontdooide” kind met de herwonnen eigenschappen. 
Een fictief voorbeeld
Een meisje van 4 jaar wordt regelmatig geplaagd door een 2 jaar oudere buurjongen die zegt dat ze stom is en niks kan. Thuis durft ze het niet te vertellen, omdat ze heimelijk gelooft dat hij gelijk heeft. Het knaagt aan haar zelfvertrouwen. Goddank gaat de jongen verhuizen en is ze van hem af. De jeugd van het meisje verloopt redelijk probleemloos. Zodra ze 15 is, krijgt ze haar eerste vakantiebaantje in een supermarkt. Ze heeft er enorm veel zin in en weet zeker dat ze het kan. 
Haar supervisor geeft haar meteen een onbehaaglijk gevoel. Hij is dominant en onbewust voelt het alsof hij haar misschien wel stom vindt. Elke keer als hij bij haar in de buurt is, schiet ze terug in het toenmalige kind-gedrag: ze verstart en wordt zo onzeker dat ze fouten gaat maken. De man stuurt haar naar huis. Haar moeder begrijpt er helemaal niets van. Onbewust is de eerdere nare ervaring van toen ze 4 jaar was weer helemaal gaan opspelen. 

Hoe pakken we het trauma in dit fictieve voorbeeld aan? 
Allereerst maken we het trauma “wakker” (het ontstaansmoment). Dan gaan we na in hoeverre de storende gebeurtenis op het huidige functioneren van invloed is (geweest) en werken deze situaties door. Van de jongen die haar kwelde, krijgt ze haar zelfrespect terug doordat hij zal zeggen dat hij het niet kwaad bedoelde, maar zich alleen maar op haar afreageerde (wat ook het meest aannemelijk is). 
De ingesleten gedachten en overtuigingen die het meisje deden geloven dat ze inderdaad stom was en niks kon, mag ze loslaten, de trigger is verdwenen. Het “genezen” kind heeft haar zelfvertrouwen terug en wordt geïntegreerd in de volwassene. 

Voorbeelden hoe een trauma in het gedrag kan doorwerken:
◦ We voelen oude, onverwerkte gevoelens en dat maakt ons onzeker 
◦ We geven meer aandacht aan anderen (zichzelf wegcijferen)
◦ We zijn bang voor wat we eerder hebben meegemaakt en trekken ons terug
◦ We zijn nog steeds boos om wat we toen niet kregen, waardoor we erg kritisch naar anderen 
   toe zijn
◦ We verlangen nu erg naar wat we toen ontbeerden, zoals onverdeelde aandacht
Voorbeelden van overlevingsmechanismen
◦ zich aanpassen 
◦ zich groot houden 
◦ aandacht aan anderen geven (dus zichzelf wegcijferen)
◦ een dikke muur om zich heen bouwen (pantseren)
◦ in shock gaan, apathisch worden
◦ vluchtgedrag vertonen
◦ oplossingsgericht denken (leidt dan niet tot ongewenste discussie) 
◦ verslavingen (eten, drinken, roken, adrenaline, seks, werk, etc.) 
◦ volhouden, competitief zijn (is compensatiegedrag)
◦ persoonlijke verwaarlozing
◦ eigen behoeften negeren